Jean Harlez wordt door sommigen omschreven als “de wildeman van de Belgische cinema”. Deze zoon van een smid is een autodidact die vertoeft in de marge van het professionele milieu. Hij betreedt de filmwereld in 1947 als assistent van Charles Dekeukeleire. Na een periode van werkloosheid en kleine klussen bouwt Jean Harlez zijn eigen 35mm camera en maakt hij, zonder enige financiële steun, een korte film over een landbouwcoöperatie. Een schot in de roos, want het ministerie van Landbouw koopt de film aan. Hierdoor kan hij zijn grote droom waarmaken: “een echte langspeelfilm draaien”. Hij wou films maken terwijl hij zich onder de mensen bevond, op straat, en met de mensen van de straat. Het leven tonen “in een arme wijk die in niets verschilt van de andere arme wijken in de wereld”. In zijn kelder richt hij een labo in, en gedurende twee jaar kuiert hij door de straten van de Marollen (1954-1956). Zo verwerft hij de sympathie van de bewoners, en maakt hij kennis met een groep kinderen die zijn acteurs zouden worden...
"Le Chantier des gosses" is het resultaat van dit avontuur. De pers reageert enthousiast op deze debuutfilm in een nieuw genre, de eerste Belgische neorealistische langspeelfilm, vijf jaar voor “Déjà s’envole la fleur maigre” van Paul Meyer. De overheid toont echter weinig interesse. België maakt zich op voor de Wereldtentoonstelling van 1958, en het is niet aan de orde van de dag om een licht te werpen op de volksbuurten, de "schaduwzijde" van de grootstad. Zeker niet als de film focust op een braakliggend stuk grond, een stille getuige van een bominslag op het einde van de Tweede Wereldoorlog (waardoor in één klap ook het toenmalige Theater Toone met de grond gelijk gemaakt werd). Dit braakliggend stuk grond was omringd met oude krotten, opgetrokken uit golfplaten en afgebakend door een houten omheining om de wijk te maskeren. Massa’s toeristen zouden immers weldra opdagen om er boven, aan het Justitiepaleis, het zicht over Brussel te bewonderen...
Gefinancierd met eigen middelen, en zonder direct geluid, zou het 15 jaar duren vooraleer Harlez geld zou vinden om "Le Chantier des gosses" van een geluidsband te voorzien. En dan nog... Het ministerie voor Onderwijs kwam met middelen over de brug omdat ze een ingekorte versie van de film wilden gebruiken tijdens de lessen moraal. Deze heel beperkte financiering stelde Harlez in staat om de lange versie te sonoriseren. "Le Chantier des gosses" wordt zo in 1970 eindelijk afgewerkt, dankzij veel enthousiasme, geduld en gedrevenheid. Maar geldgebrek speelt ook een rol in de verdeling en vertoning van de film, die voorbijgaat aan het grote publiek. Zelfs in de officiële filmografieën en de overzichtswerken van de Belgische cinema is er geen spoor van terug te vinden! Op de avant-première na, in het Congressenpaleis op 30 september 1970, en een televisievertoning een jaar later, zal de film bijna niet meer vertoond worden, met uitzondering van een eenmalige projectie in 2008, in Nova, waar hij het publiek wist te vervoeren. Tot op vandaag is de film niet uitgegeven op DVD of in de bioscoop vertoond. Daarom delft Nova deze schat voor eens en voor altijd op uit de vergetelheid. "Le chantier des gosses" krijgt de erkenning die hij verdient: een gloednieuwe 35mm kopij die zeven weken lang de affiche siert!
Om deze laattijdige release in de verf te zetten, nemen we een kijkje over de omheining van de werf. Daar zijn andere films te zien die gaan over de Marollen, of die er in dezelfde periode gedraaid werden door andere Belgische cineasten. Daarnaast belichten we de artistieke veelzijdigheid van Jean Harlez: kortfilms, films van zijn ontdekkingsreizen naar Groenland, een expositie van zijn levensgrote collages ("assemblages"). Bovendien is er een bal op de ritmes van Gipsy Jazz! Ten slotte is er een uitzonderlijke voorstelling gewijd aan Charles Dekeukeleire, en een andere aan Marcel Broodthaers, voor wie Harlez regelmatig achter de camera stond.