Met enkele onconventionele Italiaanse komedies als voorlopers, mengt deze film lokale folklore met universele thema’s. Ondanks de fictieve situaties lijkt het een soort documentaire fresco die bij momenten het fantastische opzoekt. Doorheen drie verhalen wordt een beeld geschilderd van het dorpsleven in Sicilië. Met zijn bijbelse allures en religieuze motieven - doorkruist met de inherente aanwezigheid van de maffia - spaart deze satirische komedie niemand. Het is moeilijk uit te maken wie nu de dorpsidioot is in deze verzameling van bonte personages. Hoewel de figuren veelal meelijwekkend zijn, hun obsessies en zonden tot het uiterste doorgedreven worden en de lelijkheid gesublimeerd wordt, is het niet het uitlach-effect dat doorweegt. We bevinden ons eerder in een abstracte dimensie, zonder oordeel, die de regisseurs handig weten te creëren met een magnifieke en uiterst verzorgde zwart wit fotografie. De thematische lelijkheid contrasteert met de schoonheid van de beelden.
De film opent in een filmzaal, waar de memorabele scène uit “The Uncle from Brooklyn” wordt getoond die de censuur wou verbieden. De toon is gezet. Maar de censuur was uiteindelijk nog harder voor “Totò” dan voor “The Uncle”. Leonarde Ancona, psycholoog en president van de censuurcommissie verklaarde dat de film een aanslag was tegen het Italiaanse volk en tegen de hele mensheid; en dat Ciprì en Maresco twee haatdragende psychopaten zijn. Het volledige verbod van de film creëerde in Italië een schandaal dat leidde tot de afschaffing van de filmcensuur, in een van de laatste Europese landen waar deze nog bestond. De film kwam zes maanden later in de zalen (verboden voor -18 jarigen) en hele hordes katholieke fanatici kampeerden voor de filmzalen om de toegang te blokkeren. De producer, de regisseurs en de co-scenarist kregen een aanklacht van fraude tegen de staat aan hun been. Het twee jaar aanslepende proces werd uiteindelijk herhaald op de auteurs en producer, die tijdens deze periode elke subsidie voor nieuwe projecten werden ontzegd.