prog: 521
squelettes/rubrique-3.html

Levende Doden?

Sinds 28 Days Later lijken de levende doden weer springlevend, en hoe! Tijd, dachten we om dit als centraal thema van de retrospectieve in Cinema Nova te nemen. Deze ietwat marginale figuur uit het horrorpantheon werd, onder de naam zombie, een wereldwijde plaag dank zij het succes van George A. Romero’s Living Dead trilogie.
Met zijn low budget debuutfilm Night of the Living Dead uit 1968 stopte Romero de levende doden in een hedendaags jasje, terwijl ze voorheen bijna altijd in verband werden gebracht met exotische voodootoestanden en andere Haitiaanse toverij (White Zombie met Bela Lugosi uit 1932, I Walked With A Zombie van Jacques Tourneur uit 1941). En passant heeft hij ook de hele horrorfilm gemoderniseerd. Met veel zin voor sociale satire en een gezonde dosis maatschappijkritiek, haalde hij de horror uit de gotische en mythologische burchten en zette deze brutaal op de stoep van het kleinsteedse Amerika. The Crazies (’73), Dawn of the Dead (’79) en Day of the Dead (’85) zijn stuk voor stuk films waar Romero, via de metafoor van de kannibalistische zombie, de draak steekt met doorgedreven consumptiedrang, geijkte rolpatronen, rassenhaat en militarisme (Vietnam).
Het commerciële succes van Night en, in tweede instantie, Dawn of the Dead gaat niet onopgemerkt voorbij. In het kielzog van beide films komt er een golf van namaaksels en al dan niet originele varianten, zowel in de Verenigde Staten als later ook in Europa. De zombies worden zowaar een vaste waarde aan de boxoffice. In Spanje maken Jorge Grau (The Living Dead at the Manchester Morgue, 1974) en Amando De Ossorio (de tetralogie van de Dode Tempeliers) het mooie weer. De Italianen, waaronder Andrea Bianchi, Bruno Matei en Joe d’Amato, melken met hun low budget misbaksels de formule zodanig uit dat de rage op heel korte tijd (1979-1981) weer doodbloedt.
Eén regisseur steekt er echter boven uit; Lucio Fulci, die met zijn meer metafysieke en cerebrale films, zoals Zombie2 (’79), City of the Living Dead (’80) en The Beyond (’81), de zombie van een strikt maatschappelijke context ontdoet. Hij ziet in deze niets anders dan een onpersoonlijke en onmenselijke onheilsfiguur, een wandelende biefstuk als het ware, en als dusdanig een schrikwekkende afbeelding van de Dood en de (katholieke) Hel. Net zoals zijn Italiaanse collega-regisseurs en in tegenstelling tot de Amerikaanse tegenhangers, wordt de plot minder gedreven door de interactie van personages, hetgeen resulteert in enerzijds een verslapte aandacht voor coherentie en waarschijnlijkheid en anderzijds een (vaak gewilde) desoriëntatie van tijd en ruimte. Het schouwspel an sich wordt belangrijker dan het verhaal. Fulci is dan ook een meester in de opbouw van de zogenaamde "set piece": een willekeurig slachtoffer wordt achtervolgd door zombie(s) en op één of andere inventieve manier om het leven gebracht in één lange, op gegil na van dialoog gespeende, sequentie. Geweld uitgeoefend op kwetsbare lichaamsonderdelen, het oog in het bijzonder, blijkt een vaak terugkerend element.
We mogen zeker niet uit het oog verliezen dat de opkomst van deze figuur hand in hand ging met een versoepeling van de censuur en een enorme progressie op het vlak van speciale make up effecten waardoor menige huiverscène meer grafisch in beeld werd gebracht. De jaren 70 kennen dan ook een significante catalogus van wegkwijnende, uiteengereten en half verteerdewandelende lijken. Make up artiesten zoals Tom Savini en Gianetto De Rossi verdienen hier hun sporen. De wil om zichzelf te overtreffen in de nog bloediger uitbeelding van steeds excentriekere gewelddaden doet het subgenre verzanden in een, weliswaar leuk, maar vaak ééndimensionaal grand guignol circus. In de jaren tachtig worden de levende doden steeds minder en minder au sérieux genomen. Terwijl films als Return of the Living Dead (Dan O’Bannon), Evil Dead (Sam Raimi) en de over-the-top vehikels van Stuart Gordon (Re-Animator) en Peter Jackson (Braindead) weinig aan de verbeelding overlaten, lijken Z-films als Redneck Zombies, I Was a Zombie for the FBI, Zombie Campus en Kung Fu Zombie op de titel na, wel hersendood. De zombie raakt vanaf dan definitief in de vergeetput totdat films als Versus (Ryuhei Kitamura, 2001), Dead Creatures (Andrew Parkinson, 2001) of 28 Days Later (Danny Boyle, 2002) het subgenre nieuw leven inblazen.
Naar goede gewoonte, betreedt de retrospectieve in Cinema Nova geen platte paden. Daarom hebben wij de levende doden thematiek dan ook willen verbreden en enigszins loskoppelen van de vleesverslindende figuur uit de adrenaline opwekkende en haast lijfelijke zombiefilms De keuze van Carnival of Souls (’62) van Herk Harvey, een film die Romero beïnvloedde in het maken van zijn Night, is exemplarisch voor deze meer existentiële, vergeestelijkte en daarom verontrustender benadering van de overgang tussen leven en dood. In zulke eigenaardige en zelden vertoonde films als Zeder, Dead of Night, Messiah of Evil en, jawel, Jacob’s Ladder wordt bewust gespeeld met de grenzen tussen de werkelijkheid, het onverklaarbare en het denkbeeldige. De films werken meer in op het onderbewuste trachten via allerlei incoherente en vervreemdende cinematografische technieken uitdrukking te geven aan primaire doodsangsten. Unheimlich, een ondefinieerbare term voor iets ondefinieerbaars, lijkt hier dan ook zeker van toepassing. Het verontrustende is vertrouwd en toch vreemd. ’’Iets wordt Unheimlich," schrijft Freud in het gelijknamige essay, "wanneer de grens tussen fantasie en werkelijkheid vervaagt, wanneer iets als werkelijk wordt voorgesteld dat we tot dan toe voor fantastisch hebben gehouden."
De fantastische film zal zich dus weer van zijn meest verrassende kant laten zien in Cinema Nova. Niet minder dan zestien films, waarvan enkele nauwelijks op groot scherm vertoonde pareltjes die we speciaal hebben laten overkomen uit de Verenigde Staten, liggen te wachten om (opnieuw) ontdekt te worden.



squelettes/rubrique-3.html
lang: nl
id_rubrique: 530
prog: 521
pos: aval